|
Onlangs kregen we van Luc Nolf en Eddy Houba hun verhaal toegestuurd over de reis die ze in 2002 naar Chili en Argentinië maakten. Hun vraag luidde of we dit verhaal wilden publiceren. Na het materiaal bekeken te hebben, wilden we dat maar al te graag! En hier krijgen jullie het eerste deel te zien.
Over een periode van zo'n tien jaar hadden we reeds het grootste gedeelte van Europa afgereisd. We hadden steeds de gewoonte een regio of land uit te kiezen en dit vervolgens van noord naar zuid en van oost naar west te doorkruisen. We hadden gedurende al die jaren dan ook reeds de mooiste plekjes aangedaan en waren er inmiddels van overtuigd dat men helemaal niet ver moest gaan om prachtige natuur, gezelligheid en avontuur te beleven. Desondanks wilden we nu toch ook wel eens proeven van verder gelegen oorden. Door reisverslagen in diverse motorbladen en enthousiaste voordrachten van globetrotters, begonnen we steeds meer interesse te krijgen in Zuid-Amerika. Om een eerste ervaring op te doen, leek Chili ons wel geschikt. Het land had qua natuur heel wat te bieden, was zeer gevarieerd en bovendien uitermate veilig. We beschikten over off-road motoren dus schrok het feit dat het merendeel der wegen aldaar -vooral in het zuiden- onverhard zijn ons niet af.
De voorbereiding
Onze werkomstandigheden lieten ons niet toe meer dan vier weken verlof te nemen. Een goede voorbereiding om werkelijk het maximum uit deze reis te halen was dus aangewezen. We kozen voor het zomerseizoen - onze winter - en zouden eind december vertrekken. Aanvankelijk bestond onze ‘expeditie’ uit drie personen en evenveel motoren. Even later, na een werkwissel, nog slechts uit twee. Om informatie te vergaren schuimden we het internet af, bezochten we reisbeurzen en pleegden we ettelijke telefoontjes. De beste informatie kwam echter van een jonge Chileense die we via ICQ (berichtenservice internet) vonden. Ze was werkzaam als gids in het toeristenseizoen en direct bereid ons met de voorbereidingen te helpen. We zouden haar later ook ter plaatse ontmoeten. En eindelijk was het zover, het grote moment brak aan... De motoren werden voor verzending naar Brussel gebracht. Daar werden ze vakkundig ingekrat om vervolgens naar Santiago de Chile gevlogen te worden. Dat transport zou ongeveer een week duren. Alle benodigde papieren werden door onze agent in orde gebracht. De documenten die we meekregen dienden om de motoren terug op te halen eens we zelf ter plaatse waren. We lieten de machines achter nadat we de benzinetanks hadden geledigd en de accu’s hadden ontkoppeld. Om de kist in hoogte te reduceren demonteerden we ook nog de windschermpjes en de spiegels. Onder het motto “op hoop van zegen” namen we afscheid van de motoren…
Santiago de Chile Een week later reisden we zelf af. Na een tussenstop in Madrid, ging het met een rechtstreekse vlucht verder naar Santiago. Een enorme drukte overviel ons toen we daar uitcheckten. Rond de uitgang hing een massa volk en meteen werden we aangeklampt door wel tien taxichauffeurs. Na een partijtje afbieden stoven we weg richting stad. Naarmate we Santiago de Chile naderden werd het verkeer steeds drukker en chaotischer. Ons eerste hotelletje in Santiago was vooraf geboekt door Maria Elena, onze internet gids. Hotel Vegas lag ten oosten van de hoofdstad en op wandelafstand van het centrum. Het was een klein maar net hotelletje, waar we een tweetal dagen zouden verblijven. De motoren zouden na een tussenstop in Santiago in Punta Arenas moeten belanden. We namen het besluit onze reis naar het zuiden slechts voort te zetten na positieve informatie over hun aankomst in Santiago. Het weer was schitterend in de hoofdstad, de temperatuur liep er overdag op tot een 35-tal graden Celsius. We namen uitgebreid de tijd om de stad te verkennen, enkele heerlijke maaltijden te nuttigen en te genieten van de zon op de talrijke terrasjes.

Het werven van inlichtingen betreffende onze vracht verliep echter niet echt vlot. Hoofdzakelijk door ons gebrekkig Spaans en het gebrekkige Engels van de Chilenen, ontstonden er verschillende misverstanden en rees onze ongerustheid. Even zag het er naar uit dat onze motoren verkeerdelijk onderweg waren naar de VS. Maria Elena werd te hulp geroepen. Zij slaagde erin de misverstanden uit de wereld te helpen en ons zodanig te kalmeren dat we besloten alvast naar het zuiden te vliegen. Ze stelde meteen voor de binnenlandse vlucht naar Punta Arenas te boeken, hetgeen we graag aanvaardden. Een dag later waren we onderweg.
Punta Arenas
De vlucht bedroeg een 7-tal uren, met twee tussenstops - één te Temuco en één te Puerto Montt. Omstreeks middernacht kwamen we in Punta Arenas aan en namen we meteen een taxi naar ons hotelletje Oro Fueguino, uitgebaat door een paar leuke jongedames. Het kamertje dat ons werd toegewezen was redelijk bescheiden en had geen ramen. De eet- en zitruimte daarentegen was zeer kleurrijk en gezellig ingericht. Punta Arenas maakte direct een heel andere indruk op ons. Waarschijnlijk had dit ook met het weer te maken - het was hier slechts een 15-tal graden en bewolkt - maar alles leek ons een beetje somberder toe dan in Santiago. Na een heerlijke centolla (spinkrab) en enkele pisco sours (cocktail van pisco, limoensap, gemalen ijs en opgeklopt eiwit) was deze somberheid echter snel verdwenen. We genoten van een goede nachtrust.
>>beeld: Hostal Oro Fueguino
Een dag later kregen we te horen dat de motoren aangekomen waren. Onze agent in Brussel had ons een plaatselijk agentschap aanbevolen. We troffen er een sympathieke oudere heer. Het bleek al snel een zeer vriendelijke en gedienstige man te zijn, die ons wellicht heel wat tijd bespaarde door zijn uitstekende begeleiding. Hij bracht ons met zijn wagen tot bij het hoofd van de douane en vervolgens naar de luchthaven, om er al de nodige formaliteiten te vervullen. De motoren zouden de volgende morgen in zijn depot ter beschikking staan verzekerde hij ons. We waren de volgende morgen in alle vroegte reeds te plaatse, maar van onze motoren was er nog geen spoor te bekennen. Een uur later reed een kleine vrachtwagen de parking op; daar waren ze dan toch! Even hielden we de adem in toen een heftruck met veel te korte vorken aanrukte voor het lossen van de vrachtwagen. De krat werd echter behendig op de grond gezet. Onze vrees bleek onterecht. Met veel ijver werden de kisten gedemonteerd en puzzelden we de moto's weer tezamen. We dankten de man hartelijk. Nu begon onze vakantie pas echt…

Vanaf nu was er geen tijd meer te verliezen. De vier weken zouden snel genoeg om zijn. We besloten 's namiddags naar een pinguïnkolonie te gaan kijken, ten noorden van Punta Arenas. We gaven de motoren de sporen en bereikten het reservaat anderhalf uur later. Het was een vreemd gezicht al die pinguïns te zien waggelen tussen het gras en de duinen. Gewoonlijk zie je deze diertjes op de televisie namelijk schaatsen over glad ijs in een decor van witte, ijskoude bergen. Hier verbleven ze echter tijdens de broedperiode. De beestjes waren verre van schuw en lieten zich gewillig fotograferen. Even kruiste ook een skunk -een stinkdier- ons pad. Toen we oordeelden dat we alles wel gezien hadden, reden we terug naar onze hostal voor de nacht. De volgende morgen bepakten we de motoren en namen we afscheid van onze gastvrouwen. We zouden vandaag nog oversteken naar La Isla Grande de Tierra del Fuego (Vuurland) en ergens halverwege Ushuaia overnachten.

Tierra del Fuego
Eerst namen we de ferry naar Porvenir. Vrijwel onmiddellijk nadat we tickets gekocht hadden aan de haven van Punta Arenas, konden we aan boord. De moto's werden met een hijskraan aan boord gebracht en we begaven ons tussen de andere passagiers, uitsluitend Chilenen. De overtocht duurde zo'n vier uur. Speelse dolfijnen begroetten ons aan de overzijde. Er waaide een stevige wind op Vuurland. Hier moesten we vanaf nu gewoon aan worden, de wind zou ons gedurende onze tocht verder begeleiden en het rijden enorm bemoeilijken. Het eiland was vlak en uitgestrekt en de wegen bestonden er uit grind. Zo'n 140 kilometer verder bereikten we de Argentijnse grens. We waren benieuwd hoe de douaneformaliteiten hier zouden verlopen. Verrassend goed, zo bleek. Het voorleggen van reispas en motorpapieren en het invullen van een tarjeta de turismo bleken te volstaan. Op een 15-tal minuten was alles afgehandeld en werd de slagboom voor ons geopend. We zetten verder koers naar Rio Grande, de economische hoofdstad van Tierra del Fuego aan de zuidoostelijke kust. Van hieruit was het nog een 220 km tot Ushuaia. De nationale route nr. 3 bracht ons tot in Tolhuin, de geografische scheiding tussen het plateau van Vuurland en de bergketen van het zuidelijk schiereiland. We doken de bossen in en de grindwegen maakten er plaats voor zandwegen. Binnen de kortste keren waren we niet meer van elkaar te onderscheiden: het stof had onze motorpakken, helmen en motoren een identieke kleur gegeven. Uit sympathie voor elkaar reden we beurtelings op kop. Zodra we een wagen naderden, stootten we weer op een muur van stof. De zichtbaarheid werd op die momenten herleid tot nul en enkel met ons verstand op nul durfden we het aan een inhaalmanoeuvre te ondernemen. De oren gespitst, in de hoop een tegenligger dan toch te horen aankomen. Onder deze omstandigheden legden we zo'n 100 km af tot de weg terug iets beter werd…

Ushuaia
Ushuaia bereikten we een uurtje later. Ik moet bekennen dat ik mij het stadje heel anders had voorgesteld. Ik verwachtte een kleine pioniersvestiging met slechts een handvol inwoners en een minimum aan faciliteiten. Een stadje aan het einde van de wereld behoorde er volgens mij nu eenmaal zo uit te zien. Dat was net heel de “magie”. In plaats daarvan troffen we een heel gemoedelijk stadje aan met diverse hotelletjes, restaurantjes en een echte winkelstraat. We vonden een hotel, Cabo de Hornos en stalden er de motoren op de stoep voor de receptie, goed in het zicht. Na een verkwikkende douche en een korte siësta, begonnen we aan onze verkenning van Ushuaia. 's Avonds begaven we ons naar een restaurantje en aten een mixed grill schotel. Tot onze verrassing troffen we er ook de vier Belgische jongelui aan, die we reeds eerder ontmoet hadden op de luchthaven in Santiago. Van toeval gesproken!
In een foldertje lazen we een beknopte ontstaansgeschiedenis van het stadje. Het verhaal gaat als volgt:
De streek rond Ushuaia werd oorspronkelijk bevolkt door nomaden, jagers en fruitplukkers - Selknam en Yamanas. Zij leefden er in tenten en conische hutten. Vanaf de 19de eeuw ontstonden de eerste contacten met Europese zeevaarders, onder andere met de bemanning van de brigantijn Beagle, naar wie het kanaal achteraf werd genoemd. Op het einde van de 19de eeuw ontstond er een ware gold-rush. Mensen van allerlei slag trokken vanaf de vier windstreken hierheen op zoek naar goud en rijkdom. Om de criminaliteit die hiermee gepaard ging in te perken werd er in 1902 een gevangenis opgericht die in 1947 terug gesloten werd. Vanaf midden 20ste eeuw kwamen veel Argentijnen -daartoe gestimuleerd door promoties van de regering- naar Ushuaia. Het aantal inwoners steeg sindsdien gestaag. Met dit stukje geschiedenis in ons hoofd gingen we slapen.
|